BILJARTEN OM HALF TIEN

 

Ik stak de tramrails over, passeerde Hotel Prinz Heinrich en liep de Modestussteeg door tot ik Café Kroner binnenging; de glazen deur, van binnen met groene zijde bespannen, toonde me mijn voorkomen: tenger was ik, haast klein, ik zag eruit als iemand tussen een jonge rabbijn en een bohémien, met zwart haar en in een zwart pak en met een ondefinieerbare air van landelijke afkomst; ik lachte nog één keer en deed de deur open; de kelners begonnen juist vaasjes met witte narcissen op de tafels te zetten en legden in groen leer gebonden spijskaarten recht: kelners in groene voorschoten, zwarte vesten, witte hemden en witte dassen; twee jonge meisjes, de ene roze en blond, de andere bleek en donker, ordenden aan het buffet taartjes en stapelden biscuitjes op elkaar, vernieuwden slagroom-ornamenten en wreven zilveren taartschepjes op.

 

Er was nog geen bezoeker te zien, het was hier binnen schoon als in een ziekenhuis voordat de geneesheer-directeur zijn ronde doet; een kelnerballet, waar ik nu als solist met lichte passen tussendoor liep; figuranten en coulissen stonden voor me klaar; dat was dressuur, het was uitstekend, het beviel me, zoals de drie kelners met afgeronde bewegingen van tafel naar tafel liepen: zoals het zoutvaatje klaar werd gezet, het bloemenvaasje; dat kleine tikje tegen de spijskaart, die blijkbaar in een bepaalde hoek met het zoutvaatje moest liggen; asbakken, het sneeuw witte porselein met de gouden rand; goed, dat beviel me; ik was aangenaam verrast; dit was de stad, dit had ik nog in geen van de dorpen waar ik tot nu toe had gewoond, gezien.

Ik liep naar de uiterste linkse hoek, gooide mijn hoed op een stoel, het tekenblok en het etui ernaast, en ging zitten; de kelners kwamen terug uit de richting van de keuken, duwden geluidloos theewagens voor zich uit, verspreidden azijnflesjes en hingen kranten-aan-de-stok op de haken; ik sloeg mijn tekenblok open en las - voor de hoeveelste keer? - het uitgeknipte krantenberichtje, dat ik op de binnenkant van de omslag had geplakt: 'Openbare inschrijving. Nieuwbouw van een Benedictijnen-abdij, gelegen in het dal van de Kissa, tussen de gehuchten Stehlingers Grotte en Görlinger Stuhl, op ongeveer twee kilometer afstand van het dorp Kisslingen; iedere architect die zich bevoegd acht heeft recht op deelname. Nadere gegevens zijn tegen een bedrag van 50 (vijftig) Mark verkrijgbaar bij notaris dr. Kilb, Modestussteeg 7. Sluitingsdatum voor inzendingen van ontwerpen: maandag 30 september 1907, 's middags om 12 uur.

"Paprikakaas?"vroeg de kok achter het luikje. "Ja", zei de kelner, "Roomkaas met paprika." (...) het was vrijdag, 6 september 1907, en dit ontbijt was mijn eerste; tot deze dag had ik 's morgens nog nooit echte koffie bij mijn ontbijt gedronken, enkel moutkoffie, nog nooit een ei gegeten, alleen gortepap, waterbrood met boter en schijven rauwe komkommer, maar de mythe die ik wou stichten was al aan het ontstaan, was met de wedervraag van de kok "Paprikakaas?" al onderweg naar het doel waar hij bekend moest worden: bij het publiek.

 

(Uit: 'Biljarten om Half Tien'; Heinrich Böll, 1960)

Bureau Kroner architecten - Binckhorstlaan 299, 2516 BC Den Haag